logo ecolatlas
De wulp: vogel van het jaar 2019
wulp vogelvanhet jaar
Al jaren niet meer gezien op of rond de Heide.
Lees de "Natuurbelevenis" van april 2019.
en ook wat Jac. P. Thijsse  in het "Vogeljaar" van 1904 schreef:

Het vogeljaar (1904)

Jac. P. Thijsse

Nederlandsche vogels in hun leven geschetst
[p. 145 e.v.]

Wat heb ik die wulpen dikwijls verwenscht, maar wat houd ik veel van ze. Verwenscht, omdat ik geen voet in de verboden duinen kan zetten, of ze vliegen luidkeels roepend hoog in de lucht om mij heen, zoodat de koddebeiers merken, dat er onraad is en dan moet ik, om niet gesnapt te worden, doodstil gaan liggen achter een berberis of onder een krom gewaaid dennetje.

De vogel blijft nog een poos rondvliegen, juist in een kring om mijn schuilplaats heen. Met groote snelheid glijdt hij langs de witte wolken met forsche, snelle slagen van de lange, spitse vleugels, zijn groote, kromgebogen snavel is duidelijk te zien, zijn pooten zijn recht achterwaarts gestrekt, maar steken niet ver buiten den staart uit. Zooals hij daar vliegt, lijkt de vogel iets grooter dan een kraai, maar kleur, gedaante en vleugelslag zijn natuurlijk heel anders: het lichaam loopt naar beide kanten spits uit, de kleur is grauw en de vleugels wijzen onder 't vliegen met de punten achterwaarts.

Het geluid klinkt als ‘kloe-iet, kloeiet’, forsch, helder, welluidend. Het verloop van het geheele glissando is niet zoo gemakkelijk te bepalen, dikwijls ook rijst de roep niet dadelijk omhoog, maar komt er eerst een daling.

Ik hoop, dat ge mij wat helpen wilt met noteeringen van dezen roep, want 't is een zeer belangrijk geluid, dat de aandacht getrokken heeft van alle zangvogels, die 't hoorden en ze vonden 't zoo mooi, dat ze het imiteerden in hun lied. Zanglijster, merel, roodborst, nachtegaal, leeuwerik, spotvogeltje, klauwier kunnen dezen roep min of meer getrouw nabootsen, ze doen het met groot genoegen en groote volharding.

Een heel prachtig wulpenlied hoorde ik dit jaar op den 26sten April. Ik zat in de duinen te luisteren naar kleine vogeltjes in een berkenboschje en was, om beter te kunnen zien en hooren, langzamerhand tegen de helling omhooggekropen, zoodat ik weldra boven den top uitkwam. Daar vloog vlak bij een groote wulp op, die aan den anderen kant van den top had gestaan, ineens mijn pet in de gaten kreeg, en nu onder het blazen van zijn groote, koperen alarmfluit er van door ging. Prachtig, indrukwekkend floot hij de twee eerste lange tonen vibreerend, de laatste vaster en vaster, totdat hij geheel en al op streek kwam en verviel in den normalen kloe-iet-roep. Een andere hoorde ik, die zette net in als de vijfde symphonie van Beethoven.

Natuurlijk hoort ge die wulpenmuziek het mooist en het meest in den broedtijd en wanneer ge het er voor over hebt, om uren achtereen in de duinen te gaan liggen, dan kunt ge van hun dansen te zien krijgen. Want die wulpen houden er van, om in hun eentje boven op een duinrichel allerlei vertooningen te houden: passen en sprongen, buigingen en wendingen en daarbij maakt de kromme snavel dan de gekste grimassen. En dat wisselen ze dan weer af met mooie golvende speelvluchten, herinnerend aan 't vliegen van roofvogels.

Het nest vindt ge wel eens bij toeval; er liggen vier groote, groene, donker gevlekte eieren in, die zeer lekker zijn. Het gaat niet aan, ze systematisch te zoeken, ze liggen zoo prachtig verborgen op den grond tusschen gras en kruiden en de oude vogel begint al alarm te fluiten, als ge nog wel een kilometer van 't nest verwijderd zijt. De broedende vogel zit zeer vast, ik heb wel minutenlang vlak bij 't nest gestaan, zonder dat hij wegvloog.

In de weiden komen de wulpen meestal in den zomertijd, in Juli en Augustus, en, wat nog al vreemd lijkt, liefst op hooge, droge gronden, waar gij in dien tijd, als de bodem hard en vast is, deze weeksnavelige vogels niet verwachten zoudt. Toch zijn ze er bij massa's; niet alleen wulpen, maar ook kemphaantjes, tureluurs en grutto's, allemaal jong goed, en die staan daar dan met hun lange beenen en dof-grijze kleuren in het uitgebleekte, spichtige zomergras. De helft van den tijd slapen ze, sommige rekken loom de vleugels, andere verwisselen van been of strijken zich de veertjes glad. Dan weer ziet ge er een hard vooruitrennen en wijd happen met zijn langen bek: hij heeft een sprinkhaan gevangen of een kakkerlak.

Komt ge wat naderbij, dan beginnen er een paar te huppelen, eerst op een been, dan op twee beenen en eindelijk vliegt de heele troep, soms bij de honderd, ongeregeld op, om een paar akkertjes verder weer neer te strijken. Dat gaat alles in de grootste stilte en 't is een vreemd schouwspel, die groote levenmakersvan wei en duin hier zoo als stomme schimmen te zien rondzweven. Doen zij alvast boete voor al 't lawaai, dat zij over een half jaar zullen maken en ondergaan ze op dezen heeten drogen grond een kuur, die hen vrijwaren zal voor mogelijke kwade gevolgen van hun later slijkerig bestaan?

Naast hun sprinkhanen-weide-kuur profiteeren ze ook nog van een kraaibesheide-verblijf. Ze kunnen met groote gretigheid en ijver die zwarte bessen van de kraaiheide plukken en verzwelgen en het lijdt geen twijfel, of zij dragen veel bij tot de verspreiding van deze interessante plant, doordat de onverteerde zaden uit hun uitwerpselen ontkiemen. De donker- violette uitwerpsel-plekken met de onbeschadigde zaadjes erin vindt ge in nazomer en herfst overal, waar wulpen gerust hebben of opgevlogen zijn.

Maar de echte plaats, om wulpen te zien, blijft toch altijd het slijkerige zeestrand. Daar komen ze tegen den avond bij groote troepen; hoe later op den dag en hoe later in 't jaar, des te luidruchtiger worden zij.

Hun eerste werk, als zij neerkomen, is zich flink te baden met veel geplas en geploeter, daar zijn 't hartstochtelijke liefhebbers van. En dan begint de krabbetjes-jacht, afgewisseld met vlieg- en schreeuwpartijen, die duren tot den morgenstond.

In gezelschap van de groote wulp maar ook wel alleen, ziet ge dikwijls een vogel, die in lichaamsbouw zeer veel op hem gelijkt, maar veel kleiner is, dat is de kleine wulp of Regenwulp. Dat verschil in grootte bedraagt ± 25 %, en is dus, als de vogels naast elkaar voorkomen, zeer duidelijk te zien. Bij afzonderlijke vogels echter zit ge met den maatstaf verlegen, want 't is heel lastig, dat buiten al naar den tijd van den dag en den toestand van de atmosfeer de dingen veel grooter of kleiner kunnen lijken, dan ze werkelijk zijn. Hebt ge een goeden kijker of kunt ge dichtbij genoeg naderen, dan is in zoo'n geval de kleine wulp gemakkelijk te herkennen aan een lichte, geelachtige streep over 't midden van den kop, terwijl de schedel bij de groote wulp gelijkmatig van tint is. Deze vogels hebben in 't algemeen de kleur van den leeuwerik, met een lichte plek op den rug en een bijna witte onderzijde, die met zeer mooie zwarte plekken versierd is.

Die Regenwulpen trekken in voor- en najaar met veel gefluit van ‘tjie-wie-wie’ bij dag en nacht in reusachtige troepen door ons land en zijn ook den heelen winter door en 's zomers aan de kust en op de heidevelden te vinden. Die zomergasten zijn weer echte vrijgezellen, want zoover ik weet, is de Regenwulp nog nooit broedende in ons land aangetroffen.